Alle tijd is kostbaar

De regen tikt op de ruit, terwijl ik knus en gezellig binnen zit. Warm. Huiselijk. Tussen mij en het glas zit een wereld van verschil. Ik zie de mensen voorbij wandelen. Sommigen gehaast om de regen te ontwijken en hun kapsel niet in de war te brengen. Anderen kan het niets schelen, een attitude die ik wel kan hebben. Een bliksemschicht voert mij naar een andere realiteit. Twee verdiepingen hoger zit een oud vrouwtje op dezelfde plek als ik naar buiten te kijken. Ze ziet dezelfde mensen ook. Zijzelf  is niet gehaast, ze heeft tijd, iets waar ik soms zo ademloos naar snak. En toch, ik benijd haar niet. Ik bedenk dan dat ik nog uren, dagen, ja-ren tijd heb. De mevrouw van het derde waarschijnlijk niet.

Soms troost ik mij aan de gedachte dat zij nu ook ziet wat ik zie. De mensen op straat, de regendruppels, het haasten, het leven van anderen. Ik stel me voor dat zij dan een nipje van haar theetje neemt. Dat ze het ook warm heeft, en knus en gezellig in een zeteltje voor haar venster zit. Dat ze wijselijk glimlacht om de onwetendheid en naïviteit van ieder die jonger is dan zijzelf. Dat ze zucht, niet van opluchting of vermoeidheid of ergernis, maar van geluk. Zij heeft het allemaal gezien, gedaan, beleef, geleefd. In mijn verbeelding knipoog ik naar haar. Alsof we een soort van geheime verbintenis hebben. Zij weet het.

We nippen gelijktijding aan onze tas thee. Nu, nu delen we tijd.

tumblr_ojy4ppKETC1qfdrwso1_500

Advertisements

Brussel – tram 92

Ik kijk naar buiten en zie de wereld aan mij voorbijgaan. Letterlijk. De gebouwen schuiven van links naar rechts. Paleizen, dronkemanshuisjes, bakkerszaken, kleine kruidenierswinkels, gigantische herenhuizen. De stad is van iedereen. Mijn ogen voelen zwaar, en als ik niet oplet knijp ik de gebouwen plat tot spleetjes. Er wordt in mijn arm gepord. Een klein vingertje duwt putjes in mijn arm. Twee kleine grote bruine ogen turen me aan. “Tu sais parler?” Of ik praten kan. Het meisje heeft wat weg van een indiaantje, met haar twee vlechtjes en roze bolle wangetjes. Ze kirt van opwinding. “Tu sais parleeeer?”, vraagt ze opnieuw, deze keer met nadruk, en ze blijft me met nieuwsgierige ogen aankijken. “Oui” is alles dat ik uitkraam. Mijn Frans is niet zo goed. En toch, ja, ik kan praten. Als ik kon zou ik een grapje maken, maar mijn glimlach en éénwoordig antwoord lijken voldoende. De twee vlechtjes zijn tevreden. Ze port haar broertje aan, voor wie het niet zoveel lijkt uit te maken of ik dan wel kan praten of niet. Maar wanneer het meisje met de vlechtjes bevestigend knikt naar de jongen en zegt “Elle sait parler”, glimlacht hij stilletjes en opgelucht. Ik kan praten, en toch kijk ik soms liever de kat uit de boom. Ik observeer, leer mensen kennen voor ze weten wie ik ben. Ik zwijg en luister. En soms word je dan al snel “die stille”, ofzoiets gelabeld. Maar ik kan praten. Ik gebruik mijn woorden zuinig, ik verspil geen zuurstof . Ondertussen raast de tram verder, en duikt hij de grond in. Het wordt donker. Door het raam zie ik nog net een ander metrostel. Het stijgt op. Of zo lijkt het toch, want in de donker zijn de sporen en de lucht nauwelijks te onderscheiden. Alleen het metrostel steekt felgeel af. Even waan ik me in een scene uit Harry Potter. Ik glimlach. Ik kan praten, maar soms doe ik dat gewoon liever op papier.  Mali Fisher

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© Illustration: Mali Fischer